ontfutselen

Vertalingen

ontfutselen

entlockensoutirer (qc à qn), soutirer (ɔntˈfʏtsələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd ontfutselde , voltooid deelwoord heeft ontfutseld
(iets) op een slimme manier van iemand krijgen dat hij of zij eigenlijk niet wil geven iemand zijn inlogcode ontfutselen door in een mailtje net te doen alsof je de systeembeheerder bent.