onnozel

Vertalingen

onnozel

albern, blödsinnig, gelinde, gering, harmlos, naiv, stumpfsinnig, unbedeutenddull, guiltless, innocent, stupid, insignificant, naïf, naïve, trifling, gormless, naifinnocent, mineur, naïf, niais, bébête, sot, misérable, naïf/naïve, naïvement, niaisement, simpletbalordo, idiotico, stupido (ɔˈnozəl)
bijvoeglijk naamwoord
1. ongunstig een beetje dommer dan je eigenlijk bent Doe toch niet zo onnozel, dat weet je best!
2. als je gemakkelijk iemand vertrouwt en iets gelooft