nul

Vertalingen

nul

Nullzero, nought, naught, null, zilch, love, nil, nothingzéro, néant, nul/nulle, nullité, bulleμηδένzero, nadanullità, zeroصِفْر, صِفْرٌ, لَا شَيْءَnulanulcero, insignificancia, nonadanollaništica, nulanullnic, zeroничто, нольnoll, nollaศูนย์sıfırkhông, số khôngאפסнула (nʏl)
zelfstandig naamwoord meervoud -len
1. wiskunde het getal 0 Een getal delen door nul is onmogelijk.
niet krijgen wat je vraagt
2. ongunstig iemand die je niet belangrijk vindt Hij mag dan de chef zijn, ik vind hem een nul.