net

Thesaurus

net:

netwerknipt, televisiekanaal,
Vertalingen

net

(nɛt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ten
1. voorwerp van touw of draad om dieren mee te vangen visnet
te laat zijn om ergens voordeel van te hebben
2. internet netmarketing

net

(nɛt)
bijvoeglijk naamwoord
zoals het hoort, goed verzorgd mijn nette pak

net

Netz, anständig, bieder, eben, ehrlich, elegant, Garn, gerade, geschmackvoll, honett, hübsch, just, rechtschaffen, Reine, schön, soebennet, elegant, fine, handsome, just, network, above‐board, beautiful, beautifully, cleanlycut, exactly, honest, justnow, lovely, neat, okay, precise, right, decorous, properfilet, beau, honnête, justement, proprement, réseau, chaîne, à l'instant, net, (tout) juste, convenable, correct, correctement, en ordre, exactement, net/nette, rets, juste, sageΔίκτυον, δίχτυredecontravvenzione, elegante, multa, reteشَبَكَةٌsíťnetredverkkomrežanettsiećсетьnätตาข่ายดักสัตว์tüllưới (nɛt)
bijwoord
1. kort geleden net verhuisd
2. <om de overeenkomst aan te geven als je dingen vergelijkt> net zo slordig als je broer net echt lijken
3. <tevreden commentaar als iemand anders iets vervelends overkomt door eigen schuld>