neerslaan

Thesaurus

neerslaan:

onderuithalenomslaan, ombladeren, vloeren, tekkelen,
Vertalingen

neerslaan

erdrosseln, ersticken, erwürgenquell, suffocate, choke, suppress, abateétouffer, suffoquer, assommer, (r)abattre, (se) précipiter, s'abattre, se condenser [vapeur], verser, se condenser, se déposer (sur)affogare (ˈnerslan)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd sloeg neer , voltooid deelwoord heeft neergeslagen
1. zo slaan dat iemand op de grond valt Hij werd op straat door een onbekende neergeslagen en beroofd.
2. met geweld onderdrukken Het protest werd bloedig neergeslagen.
3. uit verlegenheid naar beneden kijken