morgen

Thesaurus

morgen:

ochtend
Vertalingen

morgen

(ˈmɔrxə(n))
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
deel van de dag tussen nacht en middag vroeg in de morgen

morgen

morgen, Frühetomorrow, morningdemain, matin, matinéeαύριοmañanahuomennadomani, mattina, orientecrasjutromâineзавтраamanhã明天غَداًzítrai morgensutra明日내일i morgeni morgonพรุ่งนี้yarınvào ngày maiמחר明天утре (ˈmɔrxə(n))
bijwoord
dag na vandaag Dat doen we morgen wel.