monteren

Vertalingen

monteren

adaptieren, anpassen, montierenlink, mount, assemble, fit, fix, place, putupmonter, adaptermontare (mɔnˈterə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd monteerde , voltooid deelwoord heeft gemonteerd
wat bij elkaar hoort aan elkaar vastmaken tien procent korting als u het schuurtje zelf monteert
de opnamen in de goede volgorde tot één geheel maken