min

Thesaurus

min:

mintekenminus, zoogmoeder,
Vertalingen

min

(mɪn)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud -nen
negatief

min

(mɪn)
bijvoeglijk naamwoord
onbelangrijk, van weinig waarde
Vind je mij te onbelangrijk?

min

Amme, gering, klein, wenigerminus, diminutive, less, little, small, affection, fewer, lovemoins, amour, nourrice, petit, au pôle négatif, au-dessous de zéro, bas/basse, bassement, médiocre, minable, négatif, peu, valeur négativeμείονminuscolo, piccoloминدقيقةminדקותนาทีminmin (mɪn)
bijwoord
1. plus (in een rekensom) <om aan te geven dat je het getal erna moet aftrekken zeven min vier is drie
het vriest tien graden
2. niet heel erg duidelijk Het papier is gekreukt, maar je kunt het nog min of meer lezen.
3. zo weinig mogelijk
4. ook niet, net als... Ik hou net zo min van musicals als jij.