middag

Thesaurus

middag:

namiddag
Vertalingen

middag

Nachmittag, Mittagnoon, afternoon, middaymidi, après-midi, après‐midimediodía, tardemezzodi, mezzogiorno, pomeriggioبَعْدَ الظُهْر, ظُهْر, مُنْتَصَفُ الّنَهَارِodpoledne, poledneeftermiddag, middagαπόγευμα, μεσημέριiltapäivä, keskipäiväpodne, poslijepodne午後, 正午, 真昼오후, 정오ettermiddag, klokka tolv, midt på dagenpołudnie, popołudniemeio-dia, tardeдень, полденьeftermiddag, klockan tolv på dagen, mitt på dagenเที่ยงวัน, ตอนบ่ายöğle, öğleden sonrabuổi chiều, buổi trưa下午, 中午, 正午 ('mɪdɑg)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
deel van de dag na de ochtend en voor de avond vroeg in de middag middagdutje
ongeveer tussen 12:00 en 14:00 uur Tussen de middag loop ik vaak even naar de markt.
tijdens de middag