meten

Vertalingen

meten

messen, abmessen, aufmessenmeasure, compute, timestamp, gaugemesurer, prendre [tension, sonder, température], avoir, jaugermedir, calcularmisurare, misura, proporzione, tatto, valutareيُعاَيرُ, يَقْيسُměřit, odhadnoutmåleμετρώmitatamjeriti測る, 測定する측정하다målezmierzyćcalcular, medirизмерятьmätaวัดölçmekđo lường, ước lượng测量 ('metə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd mat , voltooid deelwoord heeft gemeten
1. zorgen dat je te weten komt hoe groot of lang iets is eerst meten hoeveel je nodig hebt, voor je gordijnen bestelt
2. net zo goed zijn als iemand