meegaan

Vertalingen

meegaan

gowith, budgedurer, accompagner (qn), aller (avec qn), qn), suivre (qcirไป ('mexa(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd ging mee , voltooid deelwoord is meegegaan
1. met anderen samen (ergens naartoe) gaan Wie gaat er mee naar het café?
2. ik denk er bijna net zo over als jij