mat

Thesaurus

mat:

vloermatvloerkleed,
Vertalingen

mat

(mɑt)
zelfstandig naamwoord meervoud -ten
1. klein, stevig kleed om ter bescherming ergens op of onder te leggen
kleed bij de deur om je voeten te vegen
2. bij iemand moeten komen omdat je iets fout hebt gedaan

mat

matt, Matte, müdemat, tired, dull, dim, frostedterne, fatigué, las, d'un regard terne, faible, faiblement, mat, mat [échecs], opaque, paillasson, tapis, languissamment, languissant, sourdstuoia, opacoغَيْرُ لامِعtlumenýtristθαμπόςapagado, Mathaaleabezbojanくすんだ칙칙한mattposzarzałyopacoтемныйmattมัว ทึมsolukxỉn màu暗的 (mɑt)
bijvoeglijk naamwoord
1. niet enthousiast, een beetje moe mat reageren op een leuk voorstel
2. niet glimmend niet glanzend, maar mat geschilderd