maat

Thesaurus

maat:

makker
Vertalingen

maat

(mat)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud maten
iemand met wie je iets samen doet of met wie je bevriend bent met een stel maten naar het café Mijn maat hield de ladder vast en ik klom naar boven.

maat

Gefährte, Genosse, Geselle, Kamerad, Maß, Takt, Kumpel, Schlagbuddy, companion, comrade, measure, pal, tact, measurement, musicaltime, bar, beat, matemesure, taille, camarade, compagnon, rythme, tact, (mon) vieux, copain/copine, taille [vêtements], jauge, aide, copain, cadence, poteرَفِيقٌ, نَبْضَةkamarád, rytmuspartner, slagφίλος, χτύποςcolega, ritmokaveri, tahtidrug, ritambattito, compagno仲間, 打つこと박자, 친구kamerat, rytmekolega, uderzeniebatida, colegaритм, товарищkompis, taktเพื่อน, จังหวะahbap, vuruşbạn, nhịp伙伴, 敲打
zelfstandig naamwoord subentry vervalt als onderscheid tussen mannelijk, vrouwelijk en 'de' vervalt meervoud maten
1. eenheid waarmee je de grootte van iets aangeeft schoenmaat inhoudsmaat
<dit zeg je als je vindt dat iets moet ophouden>
allerlei verschillende
2. vergelijkbare situaties niet op dezelfde manier beoordelen; onredelijk zijn