maar

Vertalingen

maar

(mar)
bijwoord
1. niet meer dan Het is maar een paar minuten lopen.
2. <woord zonder duidelijke betekenis dat in allerlei zinnen en uitroepen voorkomt> Het gaat maar door. Omdat ik niet precies weet hoe het moet, doe ik maar wat. Als de winkel maar niet dicht is! We stonden maar te wachten.
ik bemoei me er niet meer mee

maar

aber, allein, bloß, dagegen, dennoch, doch, erst, jedoch, lediglich, nur, sondern, debut, only, however, exclusively, just, nevertheless, yet, solelymais, seulement, toujours, cependant, ne ... que, néanmoins, pourtant, tout de même, du moins, ne...que, pourvu que, sans cesse, si (au moins)αλλάperoноsingolo, solo, soltanto, unico, maلَكِنalemenmuttaaliしかし그러나menalemasmenแต่fakatnhưng但是Но (mar)
voegwoord
<woord dat in een zin een tegenstelling aankondigt> Ik zou best willen, maar ik kan niet. Het ziet er mooi uit, maar de kwaliteit is waardeloos.