uitmaken voor

(doorverwezen van maakte uit voor)
Vertalingen

uitmaken voor

benennen, ernennen, heißen, nennencallnommerchiamare, chiamata, fama (ˈœytmakə(n) vor)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd maakte uit voor , voltooid deelwoord heeft uitgemaakt voor
met scheldwoorden noemen iemand uitmaken voor rotte vis