uitmaken

(doorverwezen van maakte uit)
Vertalingen

uitmaken

abschaffen, auslöschen, beenden, beendigen, beschließen, beseitigen, dämpfen, enden, endigen, entfernen, entscheiden, erledigen, fortschaffen, sich entschließen, wegbringenconstitute, decide, extinguish, accomodate, accountfor, doawaywith, end, finish, getridof, makeup, putout, remove, terminate, comprisecesser, décider, éteindre, finir, ôter, supprimer, terminerahogar, apagar, extinguirextinguirdecìdere, decìdersiجزءчаст部分部分částdelosaחלקdel (ˈœytmakə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd maakte uit , voltooid deelwoord heeft uitgemaakt
1. de relatie (2) met iemand verbreken
2. doven het vuur uitmaken
3. vaststellen Ik maak zelf wel uit of ik dat doe of niet.
dat is niet belangrijk