lul

Thesaurus
Vertalingen

lul

Holzscheit, Klotz, Kretin, Scheit, Pimmel, Schwanzcock, prick, dick, arsehole, bastard, block, chunkofwood, son‐of‐a‐bitch, asshole, dork, toolzob, bitte, bûche, crétin, biteπούτσαcazzo, pungereхуй (lʏl)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -len
1. mannelijk geslachtsorgaan
2. <scheldwoord>
3. pech hebben