lui

Vertalingen

lui

(lœy)
zelfstandig naamwoord meervoud meervoud
mensen jongelui
mijn ouders

lui

faul, Leute, trägelazy, people, slothful, otioseparesseux, gens, paresseusement, paresseux/-euse, fainéantgente, persone, volgo, pigropreguiçosoكَسُولٌlínýdovenοκνηρόςperezosolaiskalijen怠惰な게으른dovenleniwyленивыйlatขี้เกียจtembellười biếng懒惰的 (lœy)
bijvoeglijk naamwoord
met weinig zin om iets te doen We hebben de hamburgers koud opgegeten; ik was te lui om ze te bakken.