luchtig

Thesaurus

luchtig:

speels
Vertalingen

luchtig

frisch, neu, unberührtflighty, fresh, impulsive, recent, slender, airily, airy, airy‐fairy, gaunt, lean, loose, sandy, thinfrais, mince, (bien) aéré, frais/fraîche, léger/légère, légèrement, mousseuxfrescoesile, snello (ˈlʏxtəx)
bijvoeglijk naamwoord
1. compactzwaar (van voedsel) met veel lucht erin een luchtig toetje
2. ernstigzwaar op de hand (van iemand) vrolijk en zorgeloos luchtig doen over je gestolen laptop
3. (van kleding) van dunne stof gemaakt luchtig gekleed gaan