loslaten

Vertalingen

loslaten

auslassen, befreien, entledigen, erledigen, frei machen, freilassen, lassen, überlassen, unterlassen, zurücklassenrelease, allow, leave, let, reveal, freelâcher, libérer, délivrer, laisser, réformer, répandre, déchaîner, dégager, relâcher, abandonner, laisser tranquille, révéler, se détacher, quittermettere in libertà, sciogliere (ˈlɔslatə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd liet los , voltooid deelwoord heeft losgelaten
1. vastzitten niet langer vasthouden of blijven vastzitten Durf jij je stuur los te laten als je op een scooter rijdt? Het behang begint los te laten. De honden loslaten op een insluiper.
2. minder in gedachten bezig zijn met iets wat je sterk bezighield Nu ze ontslag genomen heeft, kan ze de problemen op haar werk eindelijk loslaten.
3. (iets) vertellen Hij laat niks los over zijn nieuwe liefde.