los

Vertalingen

los

abgesondert, besonder, beweglich, einzeln, Luchs, seperat, weitloose, mobile, free, apart, lynx, particular, sandy, separate, special, severancemobile, lâche, libre, lynx, particulier, vague, détaché, desserré, mobilier, aisé, amovible, branlant, débauché, dégagé, déreglé, en vrac, isolé, lâchement, légèrement, libertin, librement, sans emballage, relâchéελεύθερος, χαλαρόςmobile, scioltoمَفْكُوكٌvolnýløsholgado, suelto, loslöysälabav緩い풀린løsluźnyfrouxoрасшатанныйlösไม่แน่นgevşeklỏng宽松的לוסЛос (lɔs)
bijvoeglijk naamwoord
1. vast niet bevestigd aan iets anders
2. zonder samenhang met iets anders een los nummer van een tijdschrift
geen geheel vormen of geen onderling verband hebben
3. krampachtig (van iemand) ontspannen Pas na een paar glazen wijn kwam hij een beetje los.
4. leven zonder je aan (gewoonte)regels te houden