loot

Thesaurus

loot:

lotstekje, twijg, lotsbestemming, takje, scheut, loterijlot, spruit,
Vertalingen

loot

Abkomme, Abkömmling, Ableger, Absenker, Sproß, Sprößlingchild, layer, offspring, shoot, youngpousse, rejeton, rejetfanciulla, fanciullesco, fanciulloplyndre戰利品botín전리품战利品 (lot)
zelfstandig naamwoord meervoud loten
nieuwe, kleine tak aan een boom