lijn

Thesaurus

lijn:

liniestreep,
Vertalingen

lijn

Leine, Linie, Schnur, Seil, Strang, Strich, Strick, Zeileline, rope, cord, string, file, leadcorde, ligne, fil, trait, chaîne de fabrication, laisse [chien], raie, laisse, traînéecavo, gòmenalíneaлинияlinhaγραμμήקוบรรทัด (lɛin)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. reeks punten aan elkaar op een rechte rij een rechte lijn twee evenwijdige lijnen snijden elkaar nooit netjes tussen de lijntjes schrijven
consequent handelen
er wordt steeds meer verkocht
2. traject in het openbaar vervoer lijndienst Lijn 7 wordt omgeleid.
3. telefoonverbinding iemand aan de lijn hebben Ik versta je nauwelijks, de lijn is erg slecht.
4. stevig touw of draad vislijn Honden aan de lijn!
(iemand) iets beloven in plaats van iets voor hem of haar te doen
5. een dieet volgen om lichaamsgewicht te verliezen