lid

Thesaurus
Vertalingen

lid

Mitglied, Anhänger, Fuge, Gelenk, Glied, Genossemember, joint, limb, acolyte, partner, supportermembre, affilié, adhérent, articulation, partisan, article, biteчленmembro, socioعُضْوٌčlenmedlemμέλοςmiembrojäsenčlanメンバー회원medlemczłonekmembromedlemสมาชิกüyethành viên成员חבר (lɪt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud leden
1. iemand die bij een vereniging of een andere groep mensen hoort lid zijn van een voetbalclub gemeenteraadslid
2. penis het mannelijk lid
3. paragraaf van een wetsartikel of reglement artikel 10, lid 3
4. voelen dat je ziek wordt Ik heb griep onder de leden.