lezen

Thesaurus

lezen:

oplezen
Vertalingen

lezen

lesenread, reading, miss, skimlire, se lire, lectureδιαβάζω, ανάγνωσηleer, lecturaler, leituraчитать, чтениеleggere, letturaقِرَاءَة, يَقْرَأُčíst, čtenílæse, læsninglukea, lukeminenčitanje, čitati読む, 読書독서, 읽다avlesing, leseczytanie, przeczytaćläsa, läsningการอ่าน, อ่านokuma, okumakđọc, sự đọc阅读閱讀לקרוא (ˈlezə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd las , voltooid deelwoord heeft gelezen
1. met je ogen tekst bekijken en die in je gedachten opnemen de krant lezen
2. gelezen (1) worden Dat boek leest lekker.