| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.768.674.297 Bezoekers. |
|
leven |
0,03 sec. |
|
leven1 zn onz leven (-s mv) [ˈlevə(n)] 1 periode tussen je geboorte en je dood je hele leven blind zijn een doodzieke patiënt in leven houden 2 alles wat binnen een bepaalde kring gebeurt bedrijfsleven het sociaal-economische leven 3 drukte en lawaai In een station is altijd veel leven. een leven als een luis op een zeer hoofd een makkelijk en prettig leven om het leven komen doodgaan uit het leven gegrepen overgenomen uit de werkelijkheid Dit verhaal is uit het leven gegrepen. nooit van mijn leven echt helemaal nooit Ik zal nooit van mijn leven naar een tropisch land gaan: veel te heet. in het leven zitten hoer zijn leven2 ww leven (leefde enk ovt; heeft geleefd volt deelw) [ˈlevə(n)]
1 (van mensen en dieren) lichamelijk en geestelijk functioneren tijdens je leven (1); dood zijn De zwaargewonde man leeft nog. Mijn opa heeft negentig jaar geleefd. 2 (van niet-levende dingen) er zijn;= bestaan Welke ideeën leven er in jouw organisatie? Leef je nog? je zegt dit als iemand lang niet bij je geweest is leven en laten leven tolerant zijn naar (iets) toe leven je verheugen op (wat nog zal gebeuren) na een drukke tijd naar de vakantie toe leven Vertalingen leven viaţă leven sự sống, cuộc sống, sống leven žít, život leven leve, liv leven elää, elämä leven živjeti, život leven 生きる, 生命 leven 살다, 생명 leven leva, liv leven ชีวิต, ดำเนินชีวิต Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|