lessen

Vertalingen

lessen

Lessines, apaiser [soif], assouvir, étancher, éteindre [chaux], satisfaire [sentiments]μαθήματαレッスンlessonsleccioneslektionen教训Lektionerالدروسlições教訓уроци수업lektionerlekcjeурокиบทเรียนlezioni (ˈlɛsə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd leste , voltooid deelwoord heeft gelest
1. lessen nemen in autorijden Op haar zestigste is ze nog gaan lessen.
2. drinken Na het sporten les ik mijn dorst door een heleboel water te drinken.