lenen

Thesaurus
Vertalingen

lenen

borgen, leihen, darleihen, entlehnen, verleihenborrow, lend, loan, advance, spotemprunter, prêter, emprunter (à), prêter (à)δανείζομαι, δανείζωcredito, prestito, prendere in prestito, prestareيُقارِض, يُقرِضُpůjčit, půjčit silånepedir prestado, prestarlainata jollekulle, lainata joltakultaposuditi, pozajmiti借りる, 貸し付ける빌려주다, 빌리다låne, låne utpożyczyćemprestar, pedir emprestado, tomar emprestadoзанимать, ссужатьlånaให้กู้เงิน, ยืมödünç almak, ödünç vermekcho vay, mượn, 借给 (ˈlenə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd leende , voltooid deelwoord heeft geleend
1. zonder betaling tijdelijk iets van een ander gebruiken en het later teruggeven geld lenen van je broer Mag ik je fiets even lenen?
2. (iemand) zonder betaling tijdelijk iets van je laten gebruiken en het later terugkrijgen iemand een boek lenen geld lenen aan je zus