lek

Thesaurus

lek:

lekkageondicht, lekken,
Vertalingen

lek

(lɛk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ken
1. gat dat er niet hoort, waardoor iets dat binnen moet blijven naar buiten kan een lek in de waterleiding een lek in het beveiligingssysteem
2. iemand die lekt (3) Het lek zit in de commissie zelf.

lek

leck, porös, undichtfuite, crevé, qui fuit, voie d'eau, coulant, fuyant, percélæk, lækageleaky, punctured, leakpinchado, escapeperdente, perditalekk, lekkasjegotejante, perdente, fuga, romboläck, läckaتَسَرُّبtrhlinaδιαρροήvuotocurenje漏れ口새는 곳przeciekутечкаการรั่วsızıntılỗ thủng漏洞 (lɛk)
bijvoeglijk naamwoord
als iets een lek (1,1) heeft een lekke band lekke software