laag

Thesaurus
Vertalingen

laag

(lax)
zelfstandig naamwoord meervoud lagen
1. hoeveelheid materiaal op en naast elkaar uitgestrekt een laag stof onder je bed bedekt met een laag stenen
2. sociale groepering van de bevolking Dat komt in alle lagen van de bevolking voor.
3. fel kritiek leveren op (iemand)

laag

niedrig, Schicht, gemein, infam, Scheibe, tieflow, layer, deep, vile, abject, base, nasty, mean, bed, coat, down, sheetcouche, abject, gisement, lâche, bas/basse, feuille de placage, bassement, classe, modeste, modique, étage, lit, dépôt, nappe, bas, en bas, petitmalo, bajo, capaнизкий, маленький, низко, слойcupo, basso, stratoطَبَقَةٌ, مُنْخَفِض, مُنْخَفِضٌ, مُنْخَفِضاًnízko, nízký, vrstvalag, lav, lavtστρώση, χαμηλά, χαμηλόςalhaalla, kerros, matala, pieninisko, nizak, sloj低い, 低く, 層낮게, 낮은, 층lag, lav, lavtniski, nisko, warstwabaixo, camadalåg, lager, lågtเตี้ย, ชั้น, ต่ำ, น้อย ราคาถูกaşağı, katman, ucuzdưới thấp, nhỏ, tầng, thấp低下地, 低的, 小的, (lax)
bijvoeglijk naamwoord
1. hoog als iets zich niet ver naar boven uitstrekt een laag gebouw
2. hoog gering een laag bedrag
3. hoog onbelangrijk mensen met een lage positie in de maatschappij
4. hoog (van geluid) met een lage frequentie van de geluidsgolven en vaak een beetje brommend een aparte speaker voor de lage tonen
5. (van iemand) gemeen Wat een lage streek!