kwijtschelden

Vertalingen

kwijtschelden

acquitter, remettre, dégager, déclarer (qn) quitte (de)absolve, acquit (ˈkwɛitschɛldə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd schold kwijt , voltooid deelwoord heeft kwijtgescholden
zeggen dat iemand (een schuld) niet hoeft te betalen