komen

(doorverwezen van kwam)
Vertalingen

komen

kommen, erreichencome, Comine, able, cum, getvenir, Comines, s'abouler, arriver (à), être ajouté (à), tomber, se mettre debout, arriverdochodzić, dotrzeć (na miejsce), przyjśćέρχομαι, πηγαίνωvenir, llegarvenire, giungerevir, chegarيَأْتِي, يَصِلُdostat se, přijítkommesaapua, tulladoći来る, 着く도착하다, 오다kommeприбыть, приходитьkommaมา, มาถึงgelmek, varmakđến到达, (ˈkomə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd kwam , voltooid deelwoord is gekomen
1. een plaats bereiken Je komt op het juiste moment. op bezoek komen De buurman kwam ons vertellen dat hij gaat verhuizen.
2. in genoemde omstandigheid komen We kwamen onderweg zonder benzine te staan. komen te overlijden Dat komt wel in orde.
3. dat zal niet gebeuren
4. wat een raar idee heb je Hoe kom je erbij dat ik niet zou willen meewerken.
5. iets ontdekken Ik ben erachter gekomen dat hij me bedriegt met een andere vrouw.
6. je herinneren Ik kan niet op zijn naam komen.
7. afkomstig zijn uit Die wijn komt uit Frankrijk.
8. veroorzaakt worden door Ik heb paarse handen. Dat komt van/door de kou.