kwakkelen

Vertalingen

kwakkelen

(ˈkwɑkələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd kwakkelde , voltooid deelwoord heeft gekwakkeld
1. (van het weer) dan weer vriezen dan weer dooien Het blijft maar kwakkelen.
2. steeds weer problemen hebben kwakkelen met je gezondheid Dat bedrijf blijft maar aan het kwakkelen.