krop

Thesaurus

krop:

slakropkropgezwel, struma,
Vertalingen

krop

Kopf, Kropfhead, crop, patetête, pomme, goitre, jabotcabeza (krɔp)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -pen
1. bol van bladeren een krop sla
2. ruimte in de hals van sommige vogelsoorten om voedsel te weken De jongen worden gevoed uit de krop van de ouders.