kroon

Vertalingen

kroon

Krone, First, Gipfel, Kronleuchter, Lüster, Wipfelchandelier, crown, summit, surface, topcouronne, corolle, faîte, haut, comble, sommet, summon, diadèmeتَاجkorunakroneστέμμαcoronakruunukrunacorona王冠왕관kronekoronacoroaкоронаkronaมงกุฎtaçvương miện王冠, כתרКорона (kron)
zelfstandig naamwoord meervoud kronen
1. sieraad voor op je hoofd een koningin met een kroon
2. kunstmatige tand of kies op het restje van je eigen kies Tandarts, mijn kroon zit een beetje los.
3. munteenheid in verschillende landen Je kunt er met kronen of met euro's betalen.
4. de koning of koningin met de ministers door de kroon benoemd zijn
5. in een ranglijst bovenaan staan