kras

Thesaurus

kras:

schrampennekras,
Vertalingen

kras

(krɑs)
zelfstandig naamwoord meervoud -sen
streep als gevolg van iets scherps een kras in je brillenglas

kras

aufgeweckt, flink, frisch, gewandt, hurtig, munter, wach, Duitse vertalingalert, brisk, keen, adroit, agile, feisty, strongactif, alerte, vif, vigilant, rayure, en termes vifs, fort, trait, vert, éraflure, violent, Franse vertalingSpaanse vertalingvivace (krɑs)
bijvoeglijk naamwoord
1. (van oude mensen) gezond en levendig krasse bejaarden
2. (van een verhaal of bewering) moeilijk te geloven een krasse bewering