kracht

Thesaurus
Vertalingen

kracht

Kraft, Gewaltstrength, force, power, vigourforce, puissance, nerf, vertu, vigueurfuerza, potenciaقُوَّة, القوةsílastyrke, kraftισχύς, σθένος, δύναμηteho, vahvuussnagaforza, potenza力, 強さ동력, 힘kraft, styrkemoc, siła, życieenergia, força, potênciaмощность, силаeffekt, styrka, kraftกำลัง, ความเข้มแข็งgüçsức lực, sức mạnh功率, 实力, силаכוח (krɑxt)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. eigenschap dat iemand fysiek of mentaal sterk is en daardoor dingen kan doen al je krachten inspannen om een zware tafel te verplaatsen op eigen kracht een probleem oplossen
in de beste jaren van je leven Hij is in de kracht van zijn leven overleden aan een hartaanval.
te groot geworden zijn Dat dorp is uit zijn krachten gegroeid.
2. effect of invloed (op iets) zwaartekracht de kracht van een aardbeving een maatregel met terugwerkende kracht invoeren
gelden De wet is vanaf volgend jaar van kracht.
3. werknemer in het toeristenseizoen extra krachten inhuren