kraan

Thesaurus

kraan:

waterkraan
Vertalingen

kraan

Hahn, Kran, Kranich, Zapfen, Wasserhahnfaucet, crane, tap, derrickrobinet, grueγερανός, βρύσηgru, rubinettoحَنَفِيَّةkohoutekhanegrifo, grúanaputusslavina軽くたたくこと가볍게 두드리기tappekrankurektorneira, guindasteстукkranก๊อกhafif vuruşvòi龙头, 起重机起重機кранמנוף (kran)
zelfstandig naamwoord meervoud kranen
1. buis waar water of gas uit komt als je die open zet water uit de kraan laten lopen om een pan te vullen
alle moeite is nutteloos omdat de oorzaak niet weggenomen is
2. hoog en sterk apparaat om zware dingen omhoog te hijsen met een kraan de ontspoorde treinwagon weer op de rails zetten