kotsen

Thesaurus

kotsen:

vomeren
Vertalingen

kotsen

sich brechen, sich erbrechen, sich übergebenvomit, throwup, bootrejeter, rendre, vomir, rejeter de la nourriturevòmito (ˈkɔtsə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd kotste , voltooid deelwoord heeft gekotst
de inhoud van je maag weer uitspugen moeten kotsen als je te vet gegeten hebt
(iets of iemand) heel vervelend vinden Ik kots van die man.