kort

Vertalingen

kort

kurz, bündig, gedrängt, konzis, baldbrief, short, concise, shortlycourt, concis, brièvement, bref/brève, jeune, petit, bientôt, brefcorto, breve, dentro de pocokort, straksbreve, corto, prestoقَرِيباً, قَصِير, وَجيزbrzy, krátkýkort, om kort tidκοντός, προσεχώς, σύντομοςlyhyt, piankratak, netom prijeまもなく, 短い곧, 잠시의, 짧은krótki, wkrótce, zwięzłybreve, brevemente, curto, pequenoкороткий, вкратце, недолгий, краткийkort, straxในเร็วๆ นี้, สั้น, อย่างสั้นkısa, kısa zamandangắn, ngắn gọn, sớm很快地, 短的, 简短的קצר (kɔrt)
bijvoeglijk naamwoord
1. lang met een lengte of een duur die niet lang is kort haar een kort verslag De pijn duurde maar kort.
2. (iemand) niet geven wat hij of zij verdient
3. niet genoeg hebben (van iets) Ik kom vijf euro te kort.