koel

Thesaurus

koel:

koudmakendnuchter, zakelijk,
Vertalingen

koel

kühlcool, dispassionately, cold, chillyfroid, frais/fraîche, froidement, distant, sèchement, frais, 凉爽的, 寒冷的بَارِد, بارِدchladný, studenýkold, køligδροσερός, κρύοςfresco, fríoviileähladanfresco寒い, 涼しい서늘한, 쌀쌀한avkjølt, kjøligchłodnyfresco, frioпрохладный, холодныйkyligเย็น, หนาวเย็นserin, soğuklạnh lẽo, mát mẻ (kul)
bijvoeglijk naamwoord
1. beetje koud een koele wind uit zee koel serveren
kalm blijven
2. hartelijk met weinig gevoel een koele houding