knop

Thesaurus
Vertalingen

knop

Knopf, Knospe, Gefäß, Griff, Handhabe, Heft, Knauf, Sproß, Sprößling, Stielknob, button, bud, handlebouton, boucle d'oreille, bourgeon, pomme, poignéeбутон, наростمِقْبَضٌknoflíkhåndtagπόμολοperilla, pomo, botónnuppiručkamanigliaノブ손잡이knottgałkabotãohandtagลูกบิดtokmaknắm đấm cửa球形把手, 按钮бутонלחצן按鈕 (knɔp)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -pen
1. voorwerp dat allerlei functies kan hebben, zoals iets vastpakken of iets goed laten functioneren een knop op een kastdeurtje de knoppen op een tv-toestel Als je de knop omdraait, gaat het licht aan. Als je op de knop drukt, gaat het alarm af.
aan heel andere dingen gaan denken In de vakantie zet ik de knop om.
2. bloem die nog niet open is De tulpen staan nog in knop.
3. helemaal kapot Mijn fiets is naar de knoppen. Ik moet een nieuwe kopen.