knoop

Vertalingen

knoop

Knopf, Knoten, Fuge, Gelenkbutton, knot, joint, node, gallnœud, bouton, articulationñudo, botón, nudoarticolazione, cuocio, guarnizione, bottone, nodoزِرّ, عُقْدَةٌknoflík, uzelknap, knudeκόμπος, κουμπίnappi, solmučvor, dugmeボタン, 結び目단추, 매듭knapp, knuteguzik, węzeł, botãoпуговица, узелknapp, knutเงื่อน, กระดุมdüğme, düğümkhuy, nút thắt纽扣, възел (knop)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud knopen
1. rond schijfje waarmee je een kledingstuk dicht kunt doen een knoop aan je jas naaien
2. plaats waar draden of touwen om elkaar heen gedraaid zitten twee touwtjes met een knoop aan elkaar vastmaken
op een verkeerde manier in elkaar gedraaid Het touw zit in de koop.
na een tijdje een beslissing nemen We hebben lang geaarzeld, maar we hebben nu de knoop doorgehakt: we gaan verhuizen.