knoeien

Thesaurus

knoeien:

vlekkenmorsen,
Vertalingen

knoeien

pfuschenbotch, defraud, swindle, bungle, screwup, spoilfrauder, gâcher, tripoter, bâcler, bricoler (qc), faire des saletés, faire du gâchis, trichercapogiro, marioleria (ˈknujə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd knoeide , voltooid deelwoord heeft geknoeid
1. alles om je heen vies maken knoeien met eten
2. (werk) slecht uitvoeren Dat schilderwerk is niet goed. Je zit te knoeien.
3. fraude plegen knoeien met de omzetcijfers