knappen

Vertalingen

knappen

brechen, knallen, knarren, krachenbreak, crackcraquer, crépiter, craqueter, péter (ˈknɑpə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd knapte , voltooid deelwoord is geknapt
1. kapotgaan Toen ik een speld in de ballon prikte, knapte hij.
2. ik kreeg opeens een heel verdrietig en machteloos gevoel Toen ik hoorde dat ik geen vader kon worden, knapte er iets in me.