| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.726.458.392 Bezoekers. |
|
klok |
0,01 sec. |
|
klok zn klok (-ken mv) [klɔk]
1 voorwerp waarop je kunt zien hoe laat het is op de klok kijken 2 groot bronzen instrument dat hard klinkt als erop geslagen wordt De pastoor luidt de klok. Voordat de kerkdienst begint, luiden/beieren de klokken. de klok terugdraaien/terugzetten naar een vorige toestand teruggaan We moeten niet de klok terugdraaien, maar volgens moderne inzichten verder gaan. biologische klok iets dat je natuurlijke ritme van slapen en wakker zijn regelt Als de zomertijd ingaat heb ik de eerste dagen last van mijn biologische klok. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. nergens is het beter dan thuis aan de grote klok hangen (iets) aan iedereen vertellen Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|