klok

Thesaurus
Vertalingen

klok

Uhr, Glocke, Kappe, Klingel, Sturzbell, clock, watchhorloge, cloche, pendule, sonnette, pavillon, compteur, glouglou!, timbreρολόιreloj, campana, reloj de paredколокол, настенные часы, часыorologio, campana, campanelloسَاعَة حائِطhodinyurkellosat時計시계klokkezegarrelógioklockaนาฬิกาsaatđồng hồ时钟часовник時鐘שעון (klɔk)
zelfstandig naamwoord meervoud -ken
1. voorwerp waarop je kunt zien hoe laat het is op de klok kijken
naar een vorige toestand teruggaan We moeten niet de klok terugdraaien, maar volgens moderne inzichten verder gaan.
iets dat je natuurlijke ritme van slapen en wakker zijn regelt Als de zomertijd ingaat heb ik de eerste dagen last van mijn biologische klok.
nergens is het beter dan thuis
2. groot bronzen instrument dat hard klinkt als erop geslagen wordt De pastoor luidt de klok. Voordat de kerkdienst begint, luiden/beieren de klokken.
(iets) aan iedereen vertellen