klem


Zoekopdrachten gerelateerd aan klem: klim
Thesaurus
Vertalingen

klem

(klɛm)
zelfstandig naamwoord meervoud -men
1. voorwerp waarmee je iets kunt vastzetten of vangen je haar met een klem omhoog houden wielklem mollenklem
2. met nadruk Ze zei me met klem daar goed op te letten en voorzichtig te zijn.

klem

Begeisterung, Emphase, Schwung, Starrkrampf, Wundstarrkrampf, nicht zurechtkommenemphasis, accent, stuckemphase, coincé, agrafe, embarras, énergie, étau, force, piège, attacheمَحْجُوزzaseknutýsidde fastκολλημένοςatascado, abrazaderajumissazapeobloccato行きづまった곤경에 빠진fastkjørtzablokowanypresoзастрявшийsitta fastติดชะงักsaplanmışbị tắc卡住的 (klɛm)
bijvoeglijk naamwoord
1. als iets of iemand helemaal vastzit en niet los kan komen Mijn voet zit klem tussen de deur.
2. heel veel sterkedrank drinken