kleinigheid

Thesaurus

kleinigheid:

snuisterij
Vertalingen

kleinigheid

Kleinigkeit, Bagatelle, Lappalietrifle, bagatelle, epsilonbabiole, bagatelle, petite chose, bêtise, paille, poussière, rien, epsilon, broutilleتَافِهmaličkostbagatelψιλοπράγμαminucia, nimiedadpikkuseikkasitnicazuppa ingleseつまらないもの시시한 것bagatelldrobnostkabagatelaпустякbagatellเรื่องเล็กๆ น้อยๆönemsiz şeyđồ lặt vặt琐事 (ˈklɛinəxhɛid)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud -heden
1. klein cadeautje Ik heb een kleinigheid voor je meegebracht.
2. klein geldbedrag de bedelaar een kleinigheid geven
3. iets dat niet belangrijk is Maak er geen probleem van, het is maar een kleinigheid.