klein

Vertalingen

klein

klein, geringlittle, small, diminutive, tiny, weepetit, petitement, exigu, étroit, menuμικρόςpequeñoмаленькийpiccolo, minuscoloصَغِير, صَغِيرٌmalýlillepienimalen小さい작은litenmałypequenolitenเล็กküçüknhỏ, nhỏ bé小的קטן (klɛin)
bijvoeglijk naamwoord
1. groot als de afmetingen van iets of iemand minder zijn dan meestal of dan gewenst Ik ben klein voor mijn leeftijd. een kleine auto Die broek is te klein.
2. jong kleine kinderen hebben Zij zijn te klein voor die film.
3. gering in aantal, hoeveelheid of aanzien een klein beetje suiker in de thee Ik kan je dit voor een klein prijsje verkopen.
iets minder dan... We kennen elkaar nu een klein jaar.
iemand die niet veel eet
mensen met een laag inkomen