klapper

Thesaurus

klapper:

knalbonbontelefoonklapper, zevenklapper,
Vertalingen

klapper

Kokosnuß, Petardecoconut, cocoanut (ˈklɑpər)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
1. voorwerp om losse papieren in te bewaren je foto's opplakken en in een klapper opbergen
2. iets dat groot succes heeft Voor hij stopte met werken, wilde hij nog één grote klapper maken.